Van lezen krijg je nooit genoeg!

admin
Auteur(s): Caroline Clay

Caroline Clay is in september 2010 gestart met de verkorte deeltijd Pabo en in juni 2012 afgestudeerd. Zij heeft haar afstudeeronderzoek naar leesplezier zowel verricht vanuit persoonlijke als vanuit professionele interesse naar het stimuleren van leesplezier bij kinderen.

Van lezen krijg je nooit genoeg!

Een praktijkonderzoek naar het bevorderen van leesplezier

Lezen als vrijetijdsbesteding – zowel thuis als op school – is geen vanzelfsprekendheid meer. Toch is goed kunnen lezen een belangrijke zo niet noodzakelijke voorwaarde om volwaardig te kunnen functioneren in de samenleving. Op de meeste basisscholen gaat veel aandacht uit naar het technisch en begrijpend lezen. Maar lezen leer je uiteindelijk alleen door het veel te doen, het liefst met boeken waaraan je plezier beleeft. Mijn onderzoek richt zich op de vraag:
Hoe kan de leerkracht het leesplezier van de kinderen van zijn klas concreet bevorderen?

Lezen als vrijetijdsbesteding – zowel thuis als op school – is geen vanzelfsprekendheid meer. Toch is goed kunnen lezen een belangrijke, zo niet noodzakelijke voorwaarde om volwaardig te kunnen functioneren in onze samenleving. Op de meeste basisscholen gaat veel aandacht uit naar het technisch en begrijpend lezen. Maar lezen leer je uiteindelijk alleen goed door het veel te doen, het liefst met boeken waaraan je plezier beleeft. Aandacht voor leesplezier, oftewel voor ‘belevend lezen’ - òòk op school - is daarom essentieel voor de leesontwikkeling van kinderen.

Belevend lezen of leesplezier wordt omschreven als: De ervaring hoe je meegesleept wordt door een verhaal, het stimuleert kinderen om het lezen goed onder de knie te krijgen en een vaardige lezer te worden.

De Nederlandse onderzoeker Suzanne Mol heeft het effect van lezen op de taalvaardigheid van kinderen onderzocht voor haar promotieonderzoek. Samengevat leidt haar onderzoek tot de volgende – voor mijn onderzoek relevante -  conclusies:

  • Vrijetijdslezen is een drijvende kracht achter geletterdheid en taalvaardigheid;
  • Er is een sterke relatie tussen lezen in de vrije tijd en woordenschat, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen in alle leeftijdscategorieën;
  • Het lezen van fictie draagt bij aan het vergroten van intellectuele vaardigheden en succes in de samenleving. (Kunst van Lezen, 2011a)

Over de relatie tussen leesplezier en de taalvaardigheid van kinderen stelt Suzanne Mol vast dat er sprake is van wederzijdse beïnvloeding. Kinderen die plezier beleven aan het lezen van boeken, lezen vaker, wat hun taal- en leesvaardigheden vergroot en het lezen van boeken sneller tot een succeservaring maakt. Deze succeservaringen zullen hen motiveren om meer boeken te gaan lezen waardoor hun taal-en leesvaardigheden blijven uitbreiden. Zij ziet echter ook de andere kant: Kinderen die moeite hebben met lezen, ervaren minder leesplezier, wat de kans verkleint dat ze in hun vrije tijd op school of thuis ervoor kiezen om een boek te lezen. Zonder extra oefening breiden zwakke lezers hun taal- en leesvaardigheden niet extra uit en zullen ze op school extra achter raken.

Om taal- en leesvaardigheden te stimuleren is het dus belangrijk om het leesplezier te bevorderen of te behouden. Het luistert dan ook nauw welke concrete invulling er aan de dagelijkse ‘leesminuten’ wordt gegeven (Mol & Bus, 2011)

In mijn stageklas wordt veel aandacht besteed aan het technisch en begrijpend lezen. De groepsleerkracht onderkent daarbij het belang van stillezen door kinderen zowel op school als thuis. In de klas wordt regelmatig tijd ingeruimd voor het stillezen. Daar waar sommige kinderen zich daarbij verliezen in ‘een andere wereld’, gebruiken anderen de tijd om veelvuldig boeken in te zien en om te ruilen. Niet ieder kind is naar mijn oordeel dan ook even zeer behept met een positieve leesattitude.
Omdat het leesplezier naar mijn eigen oordeel daarin een belangrijke factor is, richt mijn onderzoek zich op het bevorderen van het leesplezier binnen de beïnvloedingssfeer van de leerkracht en daarmee dus op het stillezen in de schoolse situatie. Daarbij baseer ik mij op de verschillende fasen in het leesonderwijs, te weten: het kiezen, het ‘lezen’ oftewel ‘beleven’ en het reageren. 

Het door mij geformuleerde vraagstuk leidt tot de volgende centrale onderzoeksvraag:
Hoe kan de leerkracht het leesplezier van de kinderen van zijn klas concreet bevorderen?
Aan de hand van de volgende deelvragen wil ik deze vraag beantwoorden:

  1. Wat is leesplezier?
  2. Welke mogelijkheden worden in de literatuur aangereikt om het leesplezier bij kinderen in de schoolse situatie te bevorderen?
  3. Op welke wijze stimuleert mijn stageschool in het algemeen en de leerkracht van mijn stageklas in het bijzonder het leesplezier van de kinderen?
  4. Hoe ervaren de kinderen van mijn stageklas het stillezen in de klas?
  5. Welke interventies die mogelijk een positieve invloed hebben op het leesplezier van de kinderen voer ik door op basis van wat de kinderen zelf aangeven (vraag 4) en op basis van hetgeen de literatuur daarover zegt (vraag 2), en neemt het leesplezier als gevolg van die interventies daadwerkelijk toe?

Binnen de genoemde fasen van het leesproces heb ik de volgende interventies opgenomen in de dagelijkse praktijk van mijn stageklas:

Fase 1: KIEZEN

  1. Boekenhoek: met aansprekende presentatie
  2. Voorlezen: integraal èn fragmentarisch (om te helpen kiezen)
  3. Tijd reserveren om boeken aan te bevelen
  4. Boekenlegger met stappenplan om tot juiste boekenkeuze te komen. (zie bijlage)
  5. Vijfvingertest om kinderen zelfstandig een boek op het gewenste niveau te laten kiezen.

FASE 2: ‘LEZEN’

  1. Inroosteren van het vrij lezen op een vast moment op de dag:
  2. Tijdens het stillezen leest de leerkracht ook (voorbeeldfunctie)
  3. Inrichten van een leeshoek in de klas

FASE 3: REAGEREN

  1. Introduceren van een leesdagboek
  2. Praten over gelezen boeken in een boekenkring

Met vragenlijsten voor en na de onderzoeksperiode heb ik onderzocht in hoeverre het plezier in het lezen bij de kinderen in de schoolse situatie als gevolg van die interventies is toegenomen. 

De interventies blijken een positieve invloed te hebben gehad op het leesplezier van de kinderen. Opvallend daarin is dat de extra aandacht niet alleen een positieve uitwerking heeft op het stillezen in de schoolse situatie, maar tevens op het algemene oordeel van de kinderen over het lezen van boeken. Èn op het leesgedrag van de kinderen in de thuissituatie.
De resultaten van dit onderzoek zullen naar mijn oordeel vooral bereikt zijn door de positieve aandacht in het algemeen die in de afgelopen onderzoeksperiode aan het stillezen in de klas is besteed.

Concluderend zijn voor een leerkracht die het leesplezier van de kinderen uit zijn/haar klas wil bevorderen ten minste de volgende aandachtspunten van belang:

  • een inspirerende en betrokken houding ten aanzien van het lezen van boeken;
  • het stillezen dagelijks inroosteren op een vast moment van de dag
  • de inrichting van een leeshoek en een boekenhoek
  • inspelen op keuzeproblemen door (fragmentarisch) voor te lezen, het kiezen te oefenen en te praten over boeken
  • evaluatiemomenten c.q. - manieren inbouwen òfwel in de vorm van een leesdagboek, òfwel in de vorm van een (korte) boekenkring. 

Aanbevelingen
Voorts heb ik naar aanleiding van mijn onderzoek een aantal aanbevelingen kunnen doen van zowel inhoudelijke - als procesmatige aard:

  1. Dit onderzoek betreft een eerste onderzoek op dit terrein, waarbij naar mijn oordeel een werkveld is blootgelegd waar nog veel winst te boeken is. In het promotieonderzoek van Suzanne Mol dat ik hiervoor heb aangehaald, geeft zij aan dat het om taal- en leesvaardigheden te stimuleren belangrijk is om het leesplezier te bevorderen of te behouden. Vooral ten behoeve van zwakke lezers is het van belang dat de negatieve spiraal wordt doorbroken en luistert het nauw welke concrete invulling er aan de dagelijkse ‘leesminuten’ wordt gegeven. Concluderend geeft Suzanne Mol in haar onderzoek dan ook aan dat er naar haar oordeel vervolgonderzoek nodig is naar manieren waarop kinderen vrijetijdslezers worden (Mol & Bus, 2011).
    Mijn onderzoek is zowel in omvang als in duur beperkt geweest. Het onderzoek had betrekking op één groep met vijfentwintig kinderen binnen één leeftijdscategorie. Het daadwerkelijke actieonderzoek is gedurende een periode van zes weken doorgevoerd.    Ondanks deze beperkingen is het gelukt een verandering teweeg te brengen in het leesgedrag van de kinderen. Gelet op de bemoedigende resultaten van dit onderzoek, zou een vervolgonderzoek binnen andere groepen van de school wellicht tot een meer representatief beeld en krachtiger conclusies kunnen leiden.
     
  2. Een eventueel vervolgonderzoek binnen de school waarbij het stimuleren van het leesplezier centraal staat, zou wellicht kunnen leiden tot een meer beleidsmatige aanpak binnen de school. Uit het vraaggesprek met de intern begeleider van de school komt naar voren dat het stillezen geen pregnante plaats inneemt binnen het leesbeleid, in tegenstelling tot het technisch – en begrijpend lezen. De invulling wordt overgelaten aan de individuele leerkrachten. Een meer brede aanpak binnen de school waarin ondersteuning, informatie en aanmoediging van de leerkrachten op dit onderwerp centraal staat, zou mogelijkerwijs tot nog positievere resultaten kunnen leiden in het leesgedrag van kinderen en daarmee in hun leerresultaten in het algemeen.
     
  3. De leerkracht van de groep waarbinnen ik mijn onderzoek heb verricht heeft in het evaluatiegesprek aangegeven dat zij naar haar eigen inzicht niet voldoende tijd en mogelijkheden heeft gehad om binnen de onderzoeksperiode alle interventies in haar dagelijkse praktijk in te bedden. Met name het fragmentarisch voorlezen betreft een interventie die op grond van de relevante literatuur van belang kan zijn binnen de fase van het kiezen van boeken. Dit geldt eveneens voor het aanbevelen van boeken vanuit haar rol als leerkracht. Mijn aanbeveling ten behoeve van de huidige onderzoeksgroep luidt dan ook om deze interventies alsnog in de aanpak op te nemen. Ten behoeve van een mogelijk vervolgonderzoek binnen andere groepen zou ik willen aanraden deze interventies in te zetten om tot een gedegen aanpak te komen.
     
  4. Uit mijn onderzoek komt naar voren dat de bewuste aandacht voor het stillezen in de schoolse situatie leidt tot een toename van het leesplezier van de kinderen en daarmee ook van hun leesgedrag. En niet alleen in de schoolse situatie, maar juist ook in de thuissituatie. Gelet op het belang van het vrijetijdslezen voor de taalvaardigheid van de kinderen – zoals ik heb beschreven in het theoretisch kader van dit onderzoek (paragraaf 1.3) – zou het naar mijn oordeel raadzaam kunnen zijn om ook ouders in dit proces te betrekken.
     
  5. Enigszins buiten het kader van dit onderzoek om, maar wel van belang om het leesgedrag van de kinderen in kaart te brengen – heb ik eveneens onderzocht hoe vaak kinderen thuis worden voorgelezen. De resultaten op dit onderdeel zijn naar mijn oordeel zorgwekkend.  Slechts dertig procent van de kinderen wordt thuis vaak of regelmatig voorgelezen. Bijna veertig procent wordt thuis nooit voorgelezen en ruim dertig procent van de kinderen soms. Uit literatuuronderzoek is mij gebleken hoe belangrijk het voor de ontwikkeling van de taalvaardigheid van kinderen is, dat zij thuis regelmatig worden voorgelezen. Aandacht voor dit punt vanuit de kant van de school in de richting van ouders lijkt mij dan ook van belang.

Evaluatie en reflectie
De groepsleerkracht van mijn stageklas besteedt in de klas veel tijd aan het technisch en begrijpend lezen. Zij onderkent daarbij het belang van frequent stillezen door kinderen zowel op school als in de thuissituatie. In de klas wordt wekelijks met enige regelmaat tijd ingeruimd voor het vrij lezen. In dat proces leek niet ieder kind behept te zijn met een positieve leesattitude. Omdat het leesplezier daarin naar mijn eigen oordeel een belangrijke factor was, wilde ik in overleg met de groepsleerkracht onderzoeken hoe het leesplezier bij de kinderen in mijn stageklas in de schoolse situatie kon worden gestimuleerd. Plezier in lezen stimuleert immers op korte termijn het enthousiasme van kinderen om te willen lezen. Op langere termijn zorgt plezier in lezen vaak voor betere resultaten op het gebied van technisch en begrijpend lezen (Corstanje/Louws, 2000). Overigens heb ik in dat verband aangegeven dat ik niet van oordeel was dat de situatie binnen mijn stageklas verbeterd diende te worden. Ik zag dit onderzoek veel meer als een gelegenheid om de leerkracht (lees ook: mijzelf als toekomstig leerkracht) een aantal concrete handvatten te bieden – en daarmee ook bewust te maken van zijn/haar rol in dit verband - die een positief effect kunnen hebben op de leesattitude van kinderen

Met dit onderzoek ben ik er naar mijn eigen oordeel in geslaagd aan te tonen dat het met behulp van een aantal door de leerkracht ingezette concrete interventies lukt om het leesplezier en daarmee dus ook het leesgedrag van de kinderen positief te beïnvloeden. Daarmee heb ik de leerkracht van mijn stageklas een aantal concrete handvatten weten te verschaffen om haar rol in dit verband vorm en inhoud te geven.
Waar ik in dat verband eveneens in geslaagd ben, is aandacht te vragen voor het onderwerp dat – zo blijkt ook uit het wetenschappelijk onderzoek dat ik in de loop van dit onderzoek heb aangehaald -  verstrekkende gevolgen kan hebben voor de leerprestaties van kinderen in brede zin. Èn niet onvermeld in dit verband mag blijven het effect van dit onderzoek op de bewustwording van de leerkracht (waaronder ikzelf als aankomend leerkracht) van de invloed die hij/zij vanuit zijn/haar rol als smaakmaker kan hebben op het leesplezier van kinderen.
Mijn persoonlijke motivatie voor de keuze van dit onderzoek op dit terrein was vooral gelegen  in mijn persoonlijke interesse voor het leesonderwijs. Het lezen is mijzelf vrijwel met de paplepel ingegoten, en nog steeds kan ik genieten van het lezen van een boek. Deze passie voor lezen zie ik in mijn eigen – en in mijn werkomgeving niet of nauwelijks meer terug. En dat terwijl ik gedurende mijn opleiding gezien hoe ‘talig’ het onderwijs in de loop der tijd is geworden. Goed kunnen lezen is wel haast een noodzakelijke voorwaarde om de schoolloopbaan met goed gevolg te doorlopen. Deze persoonlijke conclusies lijken met elkaar in contrast. Dit onderzoek wilde ik benutten om concrete interventies te introduceren in mijn stageklas om daarmee meer evenwicht te brengen in de relatie tussen de afnemende passie voor lezen bij kinderen in het huidige tijdsbeeld en het ‘talige’ basisonderwijs.

Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt heb, zie ik de beperktheid van mijn onderzoek in. Bovendien heb ik de uitvoering van het onderzoek grotendeels moeten overlaten aan de groepsleerkrachten van de stageklas waarbinnen ik het onderzoek heb uitgevoerd. Gedurende de onderzoeksperiode was ik zelf slechts één dag in de week aanwezig om zelf tijd en aandacht te geven aan het onderzoeksproces in de klas. Desondanks heb ik op die dagen wel ervaren hoe belangrijk de stimulerende en begeleidende rol van de leerkracht is. Het succes van het stillezen in de klas hangt voor een groot deel af van de houding en de inzet van de leerkracht. Het zelf op enthousiaste wijze vertellen over een boek, heeft een katalyserende uitwerking op kinderen: ogen en oren worden geopend, letterlijk en figuurlijk.
Hoewel de ingezette interventies als handvat kunnen dienen voor het stimuleren van het leesplezier bij kinderen, gaat het er mijns inziens uiteindelijk niet zozeer om wàt je doet als leerkracht, maar veel meer hòe je het doet. Uit dit onderzoek is mij gebleken dat de leerkracht voor een groot deel de motor is voor het leesplezier van kinderen. En gelet op het belang van het leesplezier en vrijetijdslezen door kinderen voor de taalvaardigheid en algemene ontwikkeling van de kinderen, betreft het bovendien een bepalende rol.
In die zin heeft dit onderzoek mij veel gebracht, en niet alleen op het gebied van het leesonderwijs. Het heeft mij gesterkt in mijn rol als (aankomend) leerkracht, in die zin dat ik letterlijk heb ervaren hoe bepalend de invulling van die rol is voor de ontwikkeling van kinderen in brede zin.